Een hele slimme zet

Net als het spraakmakende x91Haasten en onthaastenx92 (2002) destijds, zal x91Stad en stijgingx92 ongetwijfeld de gemoederen van de sector gaan beheersen. De ondubbelzinnige keuze van de VROM-raad om het vooruitkomen van bewoners als vertrekpunt voor het toekomstige stedelijke vernieuwingsbeleid te kiezen is eigenlijk wel spectaculair. Begon het staande beleid tien jaar geleden weliswaar optimistisch met x91de burger centraalx92 (1997), in de praktijk lijkt het vooral te zijn vervallen tot de wat sleetse begrippen als bewonersparticipatie en draagvlakverwerving. Met Stad in stijging staat het individu werkelijk centraal en krijgt stedelijke vernieuwing voor het eerst een zeer uitgesproken sociaal-economische doelstelling.
Hiermee sluit de raad aan bij een tendens die we afgelopen maanden ook in de adviezen van andere organen  (RPB, SCP, WRR) zagen, misschien nog wel het beste samengevat door Alexander Rinnooy Kan, toen hij aantrad als voorzitter van de SER: x91Het gaat niet meer om de verzorgingsmaatschappij maar om de participatiemaatschappijx92. Jong en oud, nieuwkomers, overblijvers, arm, rijk, gezond of met een handicap: iedereen moet zoveel mogelijk meedoen en vooruitkomen.
Natuurlijk is het opmerkelijk dat vanuit de fysiek-ruimtelijke georixebnteerde beleidskolom zox92n uitgesproken sociaal advies wordt neergelegd. Het roept meteen de vraag op: kan de ruimtelijke sector dit dragen? Antwoord: nee natuurlijk niet. Maar dat is ook niet de bedoeling.
Daarmee doet het advies een hele slimme zet. Als je stelt dat elke gexefnvesteerde euro in de stedelijke vernieuwing, die niet leidt tot een sociaal-economische verbetering van de bewoners, eigenlijk weggegooid geld is, dan is de omgekeerde redenatie een geweldige x91xe7onditio sine qua nonx92: gemeente, corporaties, marktpartijen moeten pas investeren in de stad als zij weten dat het sociaal-economisch effect heeft. Waarom woningen voor de middenklasse bouwen, als vanuit het onderwijs niet gegarandeerd kan worden dat er een goede school in de wijk komt?
Door het (oorspronkelijke) doel van de stedelijke vernieuwing opnieuw en glashelder te formuleren, wordt meteen duidelijk waarom partijen moeten samenwerken en welke eisen zij kunnen stellen aan het pakket van maatregelen, en aan elkaar. Dit sociale advies zou dus zomaar eens kunnen leiden tot de x91integrale aanpakx92, zoals die ooit bedoeld was.

24 October 2006
By on 15:04
Jane Jacobs

Op 25 april jongstleden overleed Jane Jacobs (1916-2006). In NRC Handelsblad werd de auteur van het beroemde The Death and Life of Great American Cities (1961) gememoreerd als een x91 voorvechtster van leefbare buurten in de moderne metropoolx92. Dat was ze zeker. Haar activisme ging gepaard met scherpe analyses van wijken en steden. Waarom functioneert de ene stad wel en de andere niet? Jacobs wist de vinger op de zere plek te leggen en haarscherp de fysieke, sociale en economische condities te formuleren waaronder wijken zich tot vitale en dynamische buurten kunnen ontwikkelen. Haar toverwoord was diversiteit. Diversiteit ontstaat door grote dichtheid. Van mensen, van gebouwen, van functies. Als je Jacobs leest is het eigenlijk allemaal niet zo ingewikkeld. Waarom doen we zo weinig met haar kennis en inzichten in de huidige stedelijkevernieuwingsopgave? Misschien omdat het modernistische gedachtegoed, dat ten grondslag ligt aan het gros van onze herstructureringswijken, mijlenver verwijderd is van hetgeen waar Jacobs voor stond. Haar pleidooi voor heterogeniteit, kleinschaligheid, informaliteit en dynamiek is nu niet bepaald een wens die gemakkelijk in naoorlogse wijken te realiseren is. Toch merk je uit alle beleidsstukken en wijkplannen dat dit wel is wat we allemaal het liefste willen: levendige en leefbare buurten. Volgens Jacobs moeten stedenbouwers zich concentreren op het maken van goede straten. Langs een goede straat liggen verschillende functies, zodat er gedurende zo veel mogelijk uren per dag iets te beleven is. Essentieel zijn verbindingen door auto-, fiets- en wandelroutes. Die zorgen voor mensen en dynamiek. Als je Jacobsx92 redenering volgt, gaat het dus wel degelijk om fysieke condities die het sociaaleconomische profiel bepalen. In het KEI-werkplan van 2006 hebben wij het opschalen als aandachtspunt geformuleerd. Opschalen in de betekenis van: ervoor zorgen dat de wijk niet met de rug naar de stad gaat staan. En in de betekenis van: aansluiting zoeken bij planologische en ruimtelijke ontwikkelingen. De term opschalen zorgde hier en daar voor verwarring. Sommigen wezen het af en zeiden dat het juist meer dan ooit gaat om het sociale, in plaats van om het fysieke. Anderen waarschuwden voor de complexe en abstracte discussie die onvermijdelijk is als je op verschillende ruimtelijke schaalniveaus samenwerking zoekt. Begrijpelijke kanttekeningen. Maar waar het ons om gaat, is natuurlijk niet de schaalvergroting van de stedelijke vernieuwing als doel op zich. Het gaat er om dat we met de stedelijke vernieuwing in feite volwassen wijken willen maken. Wijken met genoeg gelaagdheid en diversiteit om tegen een stootje te kunnen. Net echte stadswijken. Voor de wijken die hiervoor in aanmerking kunnen komen – let wel: niet iedere wijk kan of hoeft per se te verstedelijken – is een uitgekiende stedenbouwkundige transformatie van groot belang. Een stedenbouwkundig concept dat organische groei en flexibiliteit toestaat. Een concept waarin verbindingen worden gelegd met de rest van de stad en zelfs de regio. Want de regionale stad is inmiddels een realiteit, die heus niet voorbij gaat aan achterstandswijken.

13 June 2006
By on 10:32
Wonen in de Deltametropool

Interview in  Holland Blad (voorjaar 2006), Vereniging Deltametropool

De incubatietijd van adviezen is doorgaans lang, zo niet eindeloos.
Wie herinnert zich nog het pleidooi voor de xb4schotse ruitxb4 uit de nota Parkstad over de vernieuwing van de westelijke tuinsteden (Anna Vos, Arnold Reijndorp, 1995). Enthousiasme alom. Maar zien we het nog ergens terug? Wat gebeurt er met de adviezen uit het recente WRR- rapport Vertrouwen in de buurt? Vrijwel unaniem door de sector toegejuicht. Maar zal het leiden tot beleidsvernieuwing bij de Haagse departementen?

En neem de studie, x91De naoorlogse stad. Een hedendaagse ontwerpopgavex92 (Ad Hereijgers/Endry van Velzen), alweer vijf jaar oud. De auteurs poneerden de stelling dat de toekomst van veel naoorlogse wijken afhangt van het regionale perspectief van waaruit een vernieuwingsprogramma geformuleerd kan worden. Zij onderbouwden deze stelling met zowel een kwalitatieve als een  kwantitatieve verkenning.

Deze laatste stelde het algemene beeld van naoorlogse wijken (gestapeld, goedkope huur en merendeels in grote steden) in een aantal opzichten bij: Dertig procent van onze totale woningvoorraad is in de periode 1945-1970 gebouwd (d.i. 2 miljoen woningen). Opvallend is dat juist de kleinere gemeenten in deze periode het snelst zijn gegroeid. Maar 25% van de woningen tussen 1945-1970 bevindt zich in de grote steden. Verder valt op dat 64% van deze woningen een eengezinswoning is. Het aandeel gestapelde bouw is 36 procent, 40 procent is een koopwoning.

Ook het heersende idee dat de naoorlogse wijken vanuit een totaalideologie in een keer op een opgespoten stuk grond zijn gebouwd, is een misvatting. Veel uitbreidingen vonden plaats langs bestaande wegen en borduurden voort op vooroorlogse plannen. De wijkgedachte (stadsuitbreiding door middel van min of meer zelfstandige eenheden) maakte bovendien een meer dynamische stadsuitleg mogelijk.

In de regionale verstedelijking van na de oorlog nemen de naoorlogse wijken dan ook een bijzondere plaats in. Ze liggen midden in de stedelijke regio, tussen oude stadswijken, historische dorpskernen en latere vinex- uitbreidingen, vaak goed aangetakt op verkeersnetwerken.

De naoorlogse wijken zijn nu een belangrijke x91stille reservex92 in de stedelijke ontwikkeling. Door hun strategische ligging zal iedere slimme herstructurering effect hebben op de kracht van het stedelijke netwerk als geheel. Of het nu gaat om de herpositionering van de woningvoorraad, het aantrekken van eigentijdse economische voorzieningen, of investeringen in onderwijs en begeleiding van achterstandsgroepen, in de naoorlogse wijken is nog reserve, ruimte voor transformatie.

Drie dingen zijn daarbij belangrijk. Ten eerste het besef dat de ene naoorlogse wijk de ander niet is. Elke wijk heeft zijn eigen karakter, zijn eigen mogelijkheden. De studie van Hereijgers en Van Velzen toont dat aan.
Ten tweede: zet in op de versterking van de ruimtelijke en  stedenbouwkundige structuren. Niet alleen het casco van de wijk, maar ook de fundamentele verbinding van de wijken met het stedelijke netwerk zijn bepalend voor de duurzaamheid. Vos en Reijndorp betoogden dat al in Parkstad.
Ten derde: zet fors in op de sociaal-economische ontwikkeling van de bewoners. Dat kan soms op het niveau van de wijk opgelost worden (zie het WRR-rapport), maar veel vaker komen de impulsen vanuit het stedelijke of regionale kader.

Bij elkaar opgeteld wijst alles in de richting van de concurrentiekracht van de naoorlogse stad. Wordt dit verwaarloosd, dan is de naoorlogse stad wellicht de achilleshiel van de regio. Worden de bestaande steden serieus genomen, grote kans dat de deltametropool x96 in ieder geval vanuit het wonen- kan worden gerelativeerd.

10 April 2006
By on 14:41
Een wijk is een levend organisme

Interview met Esther Agricola op de website van Tegenlicht.

"Een probleemwijk is een wijk met zowel sociale- als fysieke problemen. Waar veel mensen met weinig mogelijkheden bij elkaar wonen. Waar de woningen en de openbare ruimte slecht onderhouden zijn. Kortom: een wijk waar mensen zich niet prettig voelen." Esther Agricola is directeur van KEI, het kenniscentrum stedelijke vernieuwing. KEI is een publiek-private netwerkorganisatie die zich richt op de transformatie van de bestaande stad.

In 2003 zijn 56 wijken als prioriteitswijk aangewezen. Het rijk heeft met deze wijken aparte afspraken gemaakt om sociale en fysieke problemen op te lossen. Esther Agricola denkt niet dat deze wijken het decor kunnen worden van Franse situaties. Agricola: "De omvang van deze wijken is in Nederland veel kleiner dan in Frankrijk. Bovendien is de sociaal-economische situatie hier nog altijd niet zo slecht als in de Franse voorsteden. Maar dat betekent niet dat we achterover kunnen leunen. De cijfers van de afgelopen jaren tonen aan dat de sociaal-economische situatie binnen Nederland er niet beter op geworden is. Er is veel uitval op scholen, een hogere werkeloosheid en groeiende armoede. Het beleid van het huidige kabinet met een focus op de problemen van de multiculturele samenleving maakt het er niet veel beter op. We moeten uitkijken dat we bepaalde groepen in de samenleving niet uitsluiten. Het gaat er volgens mij niet om dat je Nederlands spreekt op straat, maar dat er goed onderwijs geboden wordt en dat er genoeg banen zijn. In Frankrijk zie je de frustratie van groepen die uitgesloten zijn van het maatschappelijk proces. Daar moeten we ons in Nederland voor hoeden."

In Nederland zijn probleemwijken meestal de wijken met een grote voorraad goedkope woningen. Niet toevallig de wijken waar mensen wonen met de minste perspectieven Als iemand zich uit de krappe financixeble situatie weet te ontworstelen, dan vertrekt hij al gauw naar een andere wijk. Het verloop in probleemwijken is vaak groot, de sociale samenhang staat onder druk. Als ook de aandacht voor de woningen en de openbare ruimte ontbreekt, neemt de onverschilligheid toe en dat maakt de wijken heel kwetsbaar. Esther Agricola: "Vroeger werd gedacht dat als je de fysieke ruimte maar flink onder handen zou nemen, de sociale problemen als vanzelf zouden verdwijnen. Nu zijn we er wel achter dat een likje verf alleen niet voldoende is. Je moet ook de sociale kant aanpakken. Door goed onderwijs en goede zorg te bieden. Door projecten die bewoners dichter bij elkaar brengen op te starten. Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk is dat nog een behoorlijke klus. Een stadsvernieuwingstraject heb je er niet in een paar jaar doorheen. Dat duurt zeker tien tot vijftien jaar. Een buitengewoon interessant proces. Een wijk is een levend organisme, dat niet voor 100% maakbaar is. Je kunt niet alles sturen of afdwingen. Zoals de ene mens altijd gelukkig lijkt en de andere somber, zo manifesteren wijken zich ook. Hoe dat verschil ontstaat, lijkt soms een genetische kwestie.."

"Een achterliggend probleem is dat de beleidsmakers van Nederland het idee hebben dat als je mensen van verschillende sociale klassen maar goed verdeeld over de wijken, dat je daarmee krachtige buurten krijgt. Een soort therapeutische verdunning van het probleem. Ze bouwen in de goedkope wijken iets duurdere woningen en hopen dat de spreiding als vanzelf volgt. De praktijk is weerbarstiger. Als een wijk eenmaal een slechte naam heeft, dan willen mensen met wat meer financixeble armslag zich daar niet vestigen. Reputatie en identiteit zijn hardnekkige fenomenen, het kost veel creativiteit om dat om te buigen"

Bij de succesvolle voorbeelden van stedelijke vernieuwingstrajecten is het totaalbeeld van de wijk aangepakt, en is er sprake van een kanteling van het imago. Soms komt dit door geleidelijke, kleinschalige successen, Soms door een rigoureuze aanpak. Voorbeeld van een succesvolle transformatie van een wijk is de Amsterdamse Bijlmer. Een groot aantal hoge flats is neergehaald om plaats te maken voor lagere woningen met tuinen. Agricola: "In de nieuwe Bijlmer is het echte Bijlmergevoel gebleven. Dat is gelukt door de oorspronkelijke bewoners in de wijk te houden en hard te werken aan sociale en economische vernieuwing. De Bijlmeraanpak is wel een heel radicale geweest. Er is veel gesloopt, ook heel ruime woningen zijn neergehaald. Dat is lang niet altijd nodig. Als je er op tijd bij bent, kunnen met intelligente renovatie en intensief beheer goede resultaten gehaald worden."

"Het echte succes van een vernieuwingstraject begint niet met de aantrekkingskracht van de wijk op mensen van buiten, maar bij de oorspronkelijke bewoners die willen investeren in de eigen wijk. Nieuwe woningen en voorzieningen moeten in eerste instantie perspectieven bieden voor de bewoners zelf. Het waren toch hun problemen die we wilden oplossen?"

3 March 2006
By on 15:46
Partijen in herstructurering op zoek naar nieuw elan

Interview in Building Business over de tweede ronde van KEI.

Meer differentiatie en selectiviteit nodig in de stedelijke vernieuwingx92. Die boodschap zond KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing onlangs de wereld in na een half jaar van zoeken naar de x91vernieuwing van de stedelijke vernieuwingx92. Met betrokken partijen werd van gedachten gewisseld in KEI-ateliers en tijdens een afsluitende KEI-salon, medio september, werd de balans opgemaakt. De emoties liepen daarbij soms hoog op. Building Business praat na met enkele ooggetuigen.

Vijf jaar geleden waren de verwachtingen over de betrokkenheid van marktpartijen hooggespannen. Met de grootschalige fysieke opgave in het achterhoofd werd veel verwacht van de driehoek gemeente-corporatie-marktpartij. De publieke bijdragen zouden daarbij moeten leiden tot private investeringen (multipliereffect). Eind 2004 constateerde KEI dat de stedelijke vernieuwing zich wezenlijk anders ontwikkelde dan voorzien. Die ontwikkeling kwam onder meer tot uitdrukking in een kritisch persbericht van de Neprom, waarin zij aankondigde dat de grote ontwikkelaars en ontwikkelende beleggers overwogen uit de herstructurering te stappen. Van de oorspronkelijke gedachte dat ook marktpartijen een bijdrage zouden leveren aan de vernieuwing van de naoorlogse woongebieden kwam blijkbaar onvoldoende terecht.
Het was voor KEI aanleiding om verschillende acties te entameren. Zo werden vijf Ateliers georganiseerd, waarbij steeds een andere partij aan tafel zat. Daarnaast vond een quickscan plaats naar de rol van marktpartijen in de stedelijke vernieuwing en werd met Neprom, IVBN en VROM een verkennende notitie over een mogelijke nieuwe rol van ontwikkelaars opgesteld. Jan van der Schaar (RIGO/UvA) bundelde de conclusies van dit traject in een essay. Tijdens een KEI-salon op 12 september kwamen al deze lijnen samen. Belangrijkste conclusie van de Salon: in plaats van een generieke strategie, die op meerdere (56) wijken wordt toegepast, moet de aanpak van de stedelijke vernieuwing meer op de lokale situatie worden toegesneden. Ook zou de inzet van de overheid zich selectiever moeten richten op die vijf xe0 zes wijken waar het echt slecht gaat. Daarnaast is er meer creativiteit nodig: in het vinden van nieuwe samenwerkingsvormen, in het aanboren van financixeble middelen en naast een sociale inbreng het beter verbinden van de werelden van vastgoed, ruimtelijke ordening en economische versterking.

Doorsudderende vernieuwing
Terugkijkend geeft KEI-directeur Esther Agricola aan dat de stellingname van de Neprom eind vorig jaar de discussie op scherp zette, aldus Agricola. "Het was voor ons reden om alle partijen xe9xe9n voor xe9xe9n in een Atelier aan het woord te laten. Daaruit kwamen heel verschillende beelden naar voren over hoe partijen tegen de voortgang van de vernieuwing aankijken. Zo moesten de marktpartijen duidelijk stoom afblazen, traden de corporaties redelijk zelfbewust op en waren de bestuurders kritisch, ook over de eigen rol van de gemeentes."
Terwijl VROM 2005 heeft uitgeroepen tot het jaar van de uitvoering, is het nog maar de vraag of de huidige aanpak voor alle stedelijke vernieuwingswijken voldoet. Agricola signaleert dat de stedelijke vernieuwing eind jaren negentig werd ingezet om het x91verder afglijdenx92 van de naoorlogse woongebieden te voorkomen. "Uiteindelijk is er van dat doemscenario niets terecht gekomen. Mede door de recessie bleef de vraag naar woningen groot en daarmee de druk op de woningmarkt. Voor alle partijen heeft dat grote gevolgen gehad. Corporaties zijn minder gaan slopen, marktpartijen kwamen niet aan de bak omdat er geen markt ontstond; geen doorstroming en minder ruimte om te investeren. De fysieke urgentie om in te grijpen in de wijken viel weg." Het is een situatie die je op meerdere manieren kunt beoordelen, zo geeft Agricola aan. "De goede kant is dat er geen gettox92s zijn ontstaan, maar de andere kant is dat we ook niet zo heel veel in de wijken hebben kunnen doen. Zoek en vervang was de enige strategie om nog iets te bereiken; op projectniveau bezig zijn met de vernieuwing. Daar is niets mis mee, maar de betekenis van die projecten voor de stad en regio is niet altijd even duidelijk. Ik zou veel liever zien dat we gaan opschalen, oftewel denken in meerdere schaalniveaus en projecten zo integraal ontwikkelen dat ze een betekenis hebben op meerdere niveaus. Maar het tegenovergestelde is gebeurd: de praktijk is gexefmplodeerd. De aanpak is voornamelijk volkshuisvestelijk geworden; het lijkt wel gewoon stadsvernieuwing, puur op complexniveau. Van gebiedsgewijze ontwikkeling is nauwelijks sprake. Dus: whatx92s the difference?"
Is Agricola somber over deze ontwikkeling? "Dat hangt ervan af hoe je de resultaten meet. Kijk je naar de aantallen woningen, dan zou je best tevreden kunnen zijn. Maar daarom zijn we niet aan de stedelijke vernieuwing begonnen. We vermijden een discussie te voeren over de relatie tussen de stedelijke ontwikkeling en de transformatie van de naoorlogse wijken daarbinnen. Die discussie is hard nodig, zeker bij een aantrekkende economie." Agricola formuleert vooral het ontbreken van relaties met de afdelingen stadsontwikkeling of stedenbouw als een groot gemis. "Stedelijke vernieuwing is geclaimd door de volkshuisvesters op de derde verdieping. Maar er vindt geen overleg plaats met de stadsontwikkelaars op de elfde verdieping. In het verlengde hiervan vindt Agricola het primaat van x91wonenx92 bij de stedelijke vernieuwing geen goede zaak. "Het moet niet bij wonen alleen blijven, hoe belangrijk dat ook is. Ik ben bang dat we anders over tien, vijftien jaar rondlopen in Osdorp en ons dan geconfronteerd zien met dezelfde problemen als nu. Daarom is het ook zo inspirerend om met stedenbouwers te praten over de vraag: hoe werkt nou een goed stuk stad? Dat is een heel andere vraag dan het wegzetten van de benodigde aantallen woningen."

A, B en C-wijken
Terugkijkend op de keuze voor de 56 wijken door het Rijk heeft Agricola ook hier gemengde gevoelens over: "Aan de ene kant is het goed dat VROM-minister Kamp destijds de zaak heeft ingekaderd. Hij besefte dat er in het post-Fortuyntijdperk resultaten moesten worden geboekt en daarom was het nodig om toe te spitsen en selectiever te zijn. Maar ook hier geldt dat er uiteindelijk voor de wijken generiek beleid uit is gerold. Wat KEI betreft, mag het nu veel specifieker en selectiever. Zelf maken we daarbij een onderscheid in A, B en C-wijken.
De A-wijken zijn volgens Agricola de business as usual-wijken: "Daar kun je met goed onderhoud en goede transformaties een heel eind komen." De B-wijken zijn de herstructureringswijken x91met potentiex92. "Deze springen eruit door hun ruimtelijke, sociale of culturele karakteristieken. Soms hebben ze bijvoorbeeld een zeer strategische ligging, zoals Kanaleneiland in Utrecht. Voor heel Nederland praat je misschien over vijf tot acht van dit soort wijken.
De C-wijken zakken zelf door de hoeven, dat zijn er vijf xe0 zes. Op alle terreinen bestaan daar problemen: fysiek, economisch en sociaal. Het zijn de wijken waar hele specifieke maatregelen noodzakelijk zijn, ook omdat er veranderingen op ons afkomen die we nu nog niet kunnen overzien. We moeten bijvoorbeeld alert zijn op de invoering van het nieuwe zorgstelsel en de armoedeproblematiek die daardoor kan ontstaan, juist in dit soort kwetsbare wijken.
In KEI-verband willen we ons de komende tijd met een aantal partijen richten op de B-wijken en de mensen van ruimtelijke ordening, economie en cultuur met elkaar in gesprek te brengen. Centrale vraag: hoe kun je een wijk beter aantakken op de stad en de regio? In dat geval is het namelijk voorstelbaar dat je een wijk xe9cht transformeert, iets wat we tot nu toe niet doen. We doen het in ieder geval niet zoals in het Oostelijk Havengebied, waar echt een nieuwe identiteit is ontstaan. Wat dat betreft is de huidige manier van stedelijke vernieuwing bedrijven niet genereus. De programmering van de naoorlogse wijken moet ingrijpend op de schop en worden gerelateerd aan het concurrentieprofiel van een stad. Het is toch vreemd dat er in naoorlogse wijken geen discussie plaatsvindt over de creatieve economie, terwijl een aantal van deze wijken zich daar prima voor zou lenen?"

Sterk stadsbestuur
Aan de hand van twee x91business casesx92 wil KEI de komende tijd het gesprek voeren over een stedelijke vernieuwing die selectiever en diverser is. "Dat betekent allereerst een brede analyse; welke positie neemt een wijk in de regio in. Op basis daarvan kunnen voorstellen voor de herontwikkeling worden geformuleerd, met een stevig zakelijk fundament." Volgens Agricola kan het in dat verband geen kwaad nog eens te rade te gaan bij enkele oude meesters: "Iemand als Jane Jacobs startte haar betoog bij het wonen, maar zij liet vooral het belang van diversiteit en dichtheden zien. Dan krijg je congestie en kun je de druk organiseren om ook bijvoorbeeld voorzieningen te realiseren. Wanneer je het aan de stedenbouwkundige basis goed regelt, kun je vervolgens ook ruimte laten voor de economische kant. Een stad regelt zichzelf wel." Met het benadrukken van het belang van goede stedenbouw raken we aan de publieke zaak, aldus de KEI-directeur: "Steven de Waal van Public SPACE Foundation en Boer & Croon Strategy and Management Group pleit voor een sterk stadsbestuur en Jan van der Schaar geeft aan dat steden moeten durven kiezen. Dat betekent niet dat we terug moeten naar het grote gebaar en het van bovenaf sturen, maar wel dat je als stad continuxefteit organiseert. Stedenbouw is daar heel belangrijk in; een goede stedelijke ontwikkeling gaat voor een groot deel over goede stedenbouw. Zie opnieuw het Oostelijk Havengebied. Dat loopt goed omdat het heel zorgvuldig is gemaakt."
Een krachtig stadsbestuur en een competente, zelfbewuste overheid dus volgens Agricola. "Maar daarnaast gaat het ook om ondernemerschap en particulier initiatief. Daar moeten we een nieuw evenwicht in vinden. Op dat vlak kunnen we ook het nodige leren van buitenlandse voorbeelden, zoals een stad als Vancouver waar men erin is geslaagd bewoners weer terug te halen naar de binnenstad. Dat lukte door te bouwen in hoge dichtheden en een goede inrichting van de openbare ruimte. Dergelijke aspecten zijn in ons Grotestedenbeleid de laatste jaren ondergesneeuwd; je mocht het niet meer hebben over het stapelen van stenen. Maar dat is een te beperkte benadering. Het is een kwestie van xe8n-xe8n: aandacht voor de sociale en economische kant, maar ook voor de stedenbouw. Overigens is stedenbouw van nature veel breder dan het stapelen van stenen, maar dat terzijde."
Esther Agricola sluit af met de constatering dat er op dit moment weinig conceptuele denkkracht in de sector van bouwen en wonen aanwezig is. "Dat mis ik ook in de 56-wijkenaanpak. Er zijn wel veel goede bedoelingen, maar de potenties worden niet uitgenut. Er worden geen vragen gesteld als: zijn we goed op weg in de ontwikkeling van onze steden, tellen we internationaal gezien goed mee, is een stad als Amsterdam nog wel aantrekkelijk voor bedrijven en congressen, hoe blijft Rotterdam aantrekkelijk? Dat zijn vraagstukken waar je de gehele stad voor nodig hebt! Juist daarom is het zaak nu niet achterover te leunen, maar een fundamenteel debat over de stedelijke ontwikkeling te voeren. We moeten daarvoor een stap terug doen naar de wereld van ruimtelijke ordening en stedenbouw, in de hoop daarmee een nieuw debat te kunnen voeren en nieuw elan te kunnen losmaken. Dat vergt veel creativiteit en het durven denken op meerdere schaalniveaus."

Literatuur
De verslagen van de vijf KEI-ateliers (www.kei-centrum.nl/ateliers), de KEI-salon (www.kei-centrum.nl/salon) en de Quickscan x91Rol marktpartijen in de stedelijke vernieuwingx92 (www.kei-centrum.nl/marktpartijen) zijn te vinden op de website van KEI. Jan van der Schaar (partner RIGO en hoogleraar Volkshuisvesting UvA) heeft de conclusies verwoord in essay N9 uit de N-reeks van KEI. Dit essay is meegestuurd met Building Business september 2005 en te bestellen/downloaden via
www.kei-centrum.nl/n-reeks

De vijf Vx92s van KEI
Tijdens de KEI-salon van 12 september presenteerde KEI-bestuurslid Carol Hol (directeur Concire) de vijf Vx92s van KEI. Hij licht ze op verzoek van Building Business nader toe. "KEI heeft er nu vijf jaar op zitten en maakt zich op voor een volgende periode. Dit vanuit de constatering dat het niet vreselijk slecht gaat met de stedelijke vernieuwing, maar ook niet geweldig goed. KEI moet verder en daarvoor hebben we de vijf Vx92s benoemd. Allereerst de vernieuwing van de stedelijke vernieuwing. Dat betekent dat KEI op een bijna avant-gardistische manier, maar tegelijkertijd heel praktisch, naar vernieuwing blijft zoeken. Jan van der Schaar doet daar in zijn essay een eerste voorzet voor, over de nieuwe manieren waarop partijen met elkaar zouden kunnen samenwerken. Kees Koedijk (partner Finance Ideas en hoogleraar financieel management EUR, red.) doet dat ook, door te wijzen op nieuwe financieringsarrangementen en dergelijke.
De tweede V is die van verbinden. Dan gaat het om het verbinden van verschillende schaalniveaus x96 het dansen tussen de schalen heb ik dat genoemd, hoe verbind je een wijk met de stad en vice versa? x96 en het losweken van de stedelijke vernieuwing uit de diensten Volkshuisvesting. Die diensten hebben destijds ook de stadsvernieuwing gedomineerd en doen dat nog steeds. Daarbij wordt vooral gedacht in termen van problemen, maar niet zozeer in termen van kansen en waardecreatie. Bij de stadsontwikkelaars is dat laatste wel meer gemeengoed en juist zij zouden meer bij het debat moeten worden betrokken. Dat is nog geen eenvoudige opgave. Kijk maar eens naar de deelnemerslijsten bij congressen over dit thema; daar zitten toch vooral de volkshuisvesters.
V nummer drie is die van verdiepen. We zullen veel specifieker moeten worden in de aanpak van onze wijken. Niet meer op basis van een optelsom van problemen, maar juist op basis van de identiteit van een bepaalde plek binnen het stedelijk weefsel. Dat betekent dat je anders moet analyseren en meer diagnosticerend bezig moet zijn. Algemene termen als x91voorraadbeheerx92 moeten worden vervangen door de specifieke aanpak van een concreet gebied.
Verscheidenheid is de vierde V. Die moet worden bevorderd. In de aanpak van de 56 prioritaire wijken regeert toch te veel de wet van de verdelende rechtvaardigheid. Naar ons idee gaat het erom potenties te benutten in wijken, wanneer dat niet uit zichzelf gebeurt. Dat zijn de wijken die een zetje nodig hebben. Daarbij kan met name in de B-wijken ook nadrukkelijk de expertise van marktpartijen worden ingezet.
De vijfde en laatste V is die van verleiden. Je kunt dit soort zaken niet afdwingen; je zult partijen moeten verleiden om mee te doen en om nieuwe vormen van samenwerking uit te proberen. Daar komen ook de business cases in beeld die KEI gaat organiseren, in samenwerking met Neprom, IVBN en VROM. We willen daarvoor de partners van KEI uitnodigen om te komen met proposities voor concrete locaties. De meest aansprekende zullen worden geselecteerd, om uitgewerkt te worden in een businessplan, waarbij KEI faciliterend optreedt. Dat zijn plannen die in principe ook kunnen worden uitgevoerd. Om die reden zou het naar mijn idee goed zijn om als voorwaarde voor een deelname aan een business case te stellen dat ideexebn worden ingeleverd door een combinatie van een corporatie, gemeente en een marktpartij. Zo bevorder je vooraf het commitment en de drive om er samen iets van te maken. Een goed businessplan gaat daarmee nadrukkelijk verder dan een intentioneel verhaal."

Geld: wel of niet een issue?
De KEI-salon van 12 september was onder meer het decor van een discussie over de benodigde gelden in de stedelijke vernieuwing. Uit een presentatie van Kees Koedijk (partner Finance Ideas en hoogleraar financieel management EUR) over de financieringscapaciteit van corporaties kwam naar voren dat x91geld absoluut niet het issue isx92. Op basis van zijn berekeningen zouden corporaties ten minste circa 50 miljard euro kunnen bijfinancieren, met name door uit te gaan van andere principes bij de waardering van hun woningbezit (van boekwaarde naar marktwaarde). Volgens Koedijk was het vooral zaak om creatieve constructies te verzinnen waarbij partijen elkaar kunnen vinden, waarna de vernieuwing met nieuw elan gestalte kan krijgen. Jan van der Schaar (RIGO/UvA) ging dat allemaal iets te snel. Hij plaatste tijdens de Salon vraagtekens bij het gemak waarmee corporaties dit bedrag ineens op tafel zouden kunnen leggen. x91Het ligt niet gewoon even op de plankx92.
Reden voor KEI om beide heren medio oktober uit te nodigen voor een nadere gedachtewisseling. Daarbij bleek dat de meningen minder ver uit elkaar lagen dan aanvankelijk gedacht. Van der Schaar was het eens met de stelling dat het x91geld dat in stenen besloten ligtx92 zou moeten worden geactiveerd. "Ik heb dat eerder ook in een VROM-advies verwoord. Ik ben voor een actieve inzet van de vermogens die er zijn, desnoods met enige druk van overheidswege. Als er een groot vermogen is, dat niet wordt ingezet, is dat een zaak van nationale verarming." Verder bleek de RIGO-partner het eens met de stelling dat het historische kostprijsbegrip niet langer gebruikt zou mogen worden in dit soort discussies. "Maar dat betekent niet dat ik een voorstander ben van zoveel mogelijk vermogen beleenbaar te maken. Ik zou liever wat meer conservatief willen rekenen. Je moet wel degelijk rekening houden met risicox92s in de financiering, de woningexploitatie en de investeringen. Bovendien zal een deel van de ruimte worden afgeroomd door de overheid om de huursubsidies te bekostigen. Daarbij speelt ook mee dat er bijvoorbeeld grenzen zijn aan de aantallen huurwoningen die je in bepaalde gebieden op de markt kunt brengen. Ik moet er bijvoorbeeld niet aan denken dat er in Rotterdam Zuid grote hoeveelheden goedkope huurwoningen in de verkoop gaan. Verder moet er de komende jaren veel aan de instandhouding van het bezit gebeuren. Hoeveel onderhoud er in de toekomst precies noodzakelijk is, vormt echter een grote onzekerheid. Dat geldt ook voor de aanstaande economische groei; wat is het gevolg daarvan voor de corporatiesector? Komen bij hernieuwde economische groei de oude huurwoningen toch weer leeg te staan?" In het verlengde hiervan waarschuwde Van der Schaar Koedijk ervoor zich rijk te rekenen aan de huidige kasstromen bij corporaties. Rekening houdend met dergelijke risicox92s vond Van der Schaar een bedrag tussen de 10 en 20 miljard euro waarschijnlijker als bedrag dat voor de bekostiging van onrendabele investeringen wordt ingezet. Op jaarbasis gaat het om een bedrag van maximaal 3 miljard euro, zo berekende Johan Conijn, na aftrek van de bestemmingsheffing. Dit x91activeren van non-profit vermogenx92 kan volgens Van der Schaar nuttig zijn om projecten van de grond te krijgen die partijen ieder voor zich niet op gang kunnen krijgen. "Ik verwacht ook niet dat VROM veel verder zal willen gaan dan de door het Centraal Fonds becijferde overmaat. VROM zal nooit het voortbestaan van de corporaties in gevaar willen brengen. Bovendien heeft zij geen directe beschikkingsmacht over het private vermogen van de corporaties."
Wat de inzet van corporaties vermag, heeft Van der Schaar onlangs ervaren in Rotterdam. Daar werken enkele corporaties breed aan de realisatie van x91maatschappelijk vastgoedx92. Aan de ene kant vindt hij deze verbreding risicovol; niet voor niets staan andere departementen als VWS te trappelen om hun problemen af te wentelen op de vermogens van de corporaties. Wordt de overmaat goed beheerd als anderen greep hierop krijgen? Maar er zijn ook positieve kanten van deze brede opvatting van corporaties als wijkbeheerders: "Daarmee treden ze buiten de wereld van het wonen, waar naar mijn idee ook niet het echte probleem zit. Ik werd daar heel opgetogen en optimistisch van toen ik dat zag. Mede daarom is het niet terecht hoe corporaties op dit moment worden afgeschilderd in de media. Sommige zijn echt heel goed bezig en dat mag ook gezegd worden. Elke corporatie voor zich kan daarin veel doen. Waarom zet elke corporatie niet elk jaar een paar miljoen opzij voor projecten in de sfeer van educatie en dergelijke? Je kunt voor dergelijke uitgaven ruimte bieden door een eenvoudige regel dat een maximum percentage van je netto inkomsten uit de woningexploitatie aan maatschappelijke vraagstukken wordt besteed, ook buiten het domein van het vastgoed. Adopteer eens de studietrajecten voor 200 kinderen; wat kost je dat op jaarbasis? Met 10.000 euro per kind kom je een heel eind. De emancipatoire werking die daarvan uitgaat is enorm.x92

Kees Koedijk op zijn beurt kon Van der Schaar hierin grotendeels gelijk geven. "Waar ik alleen voor heb willen waarschuwen is dat onze samenleving rentenierstrekken begint te vertonen en dat we andere manieren zullen moeten vinden om de solidariteit te organiseren, met name in de grote steden. We kunnen bepaalde groepen niet aan hun lot overlaten. Corporaties spelen door hun omvang daar een cruciale rol in; zij kunnen veel geld beschikbaar maken. Maar op dit moment staat men te weinig open voor alternatieven, terwijl in sommige gebieden de maatschappelijke tijdbom tikt." Om deze reden pleit Koedijk voor het ontwikkelen van alternatieve financieringsmodellen xe9n voor het betrekken van marktpartijen bij de stedelijke vernieuwing. Hij denkt daarbij vooral aan de inzet van ontwikkelende beleggers, voor wie het investeren in herstructureringsgebieden een welkome aanvulling op de portefeuille kan betekenen. "Breng die werelden bij elkaar. Durf daarmee te experimenteren, dat is mijn pleidooi. Het lerend vermogen van de corporatiesector is niet zo groot x96 met name bij de tussenlaag in de organisaties x96 en daarom zijn er aansprekende voorbeelden nodig van hoe het anders kan. Er zijn nu nog te veel afweermechanismen in de sector die nieuwe samenwerkingen verhinderen."
Een aantal creatieve financieringsmodellen zal worden getoetst in de business cases die KEI gaat ontwikkelen.

12 December 2005
By on 15:38
Windows of opportunity

Slechts eens in de zoveel tijd is er sprake van de perfecte samenloop van omstandigheden, waardoor een werkelijke omslag kan plaatsvinden. Economen noemen deze samenloop windows of opportunity. Vancouver in Canada is zox92n stad, waar medio jaren tachtig op het juiste moment de windows of opportunity werden opengezet. In amper 15 jaar tijd wist de stad het bewonersaantal van downtown te verdubbelen. En dat in een periode waarin vrijwel alle Noord-Amerikaanse binnensteden compleet leegliepen. De perfecte combinatie van het juiste aanbod gevarieerde woningen, gunstige prijzen, vervoerssystemen en werk gelegenheid maakte dat Vancouver wereldwijd de successtory van binnen stedelijke ontwikkeling is geworden. De meest gestelde vraag aan het City Management in Vancouver is dan ook: hoe organiseer ik in mijn eigen stad deze perfect match?

Op deze vraag is natuurlijk geen zinnig antwoord mogelijk. Windows of opportunity zijn niet af te dwingen. De enige kunst die men moet beheersen is geduld en het willen of kunnen zien van fundamentele ontwikkelingen. Om vervolgens op het juiste moment in te grijpen. Te vroeg of te laat handelen is funest.
Als je gelooft in deze economische windows-theorie, dan moet Keynes defi nitief verruild worden voor Schum peter. De stedelijke-vernieuwings praktijk heeft dit allang bewezen. Generiek ingrijpen van bovenaf zodra het slecht gaat (Keynes) helpt niet meer, ondernemerschap, dynamiek en innovatie des te meer (Schumpeter). Zijn idee van creatieve destructie is een even mooie gedachte als de windows of opportunity: eerst moet je iets kapot maken, voordat je kunt vernieuwen. En hiermee bedoelt hij natuurlijk niet onze beproefde sloop/nieuw bouwmethode. Om werkelijk te kunnen innoveren moet je in staat zijn af te stappen van oude waarden en patronen.

In de huidige stedelijke vernieuwing ontbreekt het meer dan eens aan slim doorgronden en anticiperen op zowel micro- als macro-ontwikkelin gen. En aan creatief lef om echt nieuwe wegen in te slaan. Onconventioneel denken wordt ons ten eerste niet geleerd op de opleidingen en maakt geen deel uit de van de zogenaamde x91standaard projectprocedurex92 in de stedelijke vernieuwingspraktijk. Het is niet opgenomen in WRO, ISV, GSB en is al helemaal niet de bedoeling van de 56-wijkenaanpak. Wordt het niet tijd dat wij eens goed nadenken over hoe het staat met onze windows of opportunity, voordat we doordenderen in de tweede ISV-periode?

Met dank aan eurostevo.

2 May 2005
By on 14:33